Vraag over beleid ten aanzien van Fauna Uittrede Plaatsen


Indiendatum: nov. 2010

Heeft het waterschap Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden beleid ten aanzien van Fauna Uittrede Plaatsen?

Indiendatum: nov. 2010
Antwoorddatum: 14 dec. 2010

Aanleiding
Door u is op 2 november jl. de vraag gesteld of het waterschap beleid heeft ten aanzien van Fauna Uittrede Plaatsen. Fauna Uittrede Plaatsen (hierna: FUP’s) zijn voorzieningen in beschoeiingen langs watergangen die het voor dieren mogelijk maken om uit het water te komen. In deze memo wordt ingegaan op de wijze waarop het waterschap omgaat met het inrichten van oevers en de overweging om FUP’s aan te leggen.

Vastgesteld beleid
Op dit moment is geen beleid(snota) van kracht waarin aparte richtlijnen zijn opgenomen voor het aanleggen van FUP’s langs te beschoeien of beschoeide oevers.In het vastgestelde beleid (onder andere Waterbeheerplan en GOPoevers) zijn wel doelen gesteld voor het aanleggen van natuurvriendelijke oevers langs waterlichamen en natte ecologische verbindingszones, en daarbuiten. Het beleid ten aanzien van beschoeide oevers met een barrièrewerking voor dieren komt er in het kort op neer dat bestaande beschoeiing-en die in onderhoud zijn bij het waterschap, zoveel mogelijk worden omgevormd naar natuurvriendelijke oevers. Bij het omvormen van een beschoeide oever naar een natuurvriendelijke oever, wordt net als bij het aanleggen van FUP’s, een barrière voor de verplaatsing van dieren opgeheven. Voorwaarde bij de omvorming naar een natuurvriendelijke oever is wel dat er voldoende ruimte beschikbaar is, of komt, en dat de totale kosten voor inrichting en onderhoud niet substantieel hoger zijn dan die van een beschoeide oever. Dankzij de doelstellingen voor natuurvriendelijke oevers resulteert het beleid van het waterschap per saldo op meer uittredemogelijkheden voor dieren.

Aanleg van beschoeiingen en FUP’s
In het recente verleden heeft het waterschap FUP’s aangelegd in een aantal inrichtings- en grootonderhoudsprojecten met beschoeiingen (Enkele Wiericke, Singels Tuindorp en Leidsche Rijn). Dit betreft uitsluitend de trajecten waar het waterschap verantwoordelijk is voor het groot onderhoud van de oever. Een meerwaarde van FUP’s is meestal aan de orde waar het hoge en tegelijkertijd smalle oevers betreft. Het gaat hier voor het waterschap met name om oevers in de Stad Utrecht en langs de Leidsche Rijn en om een aantal damwandconstructies die als waterkering fungeren.
Oevers zonder beschoeiing en oevers met een beschoeiing onder, of net boven, het waterpeil vormen meestal geen barrière voor dieren. Dit geldt ook voor de meeste vooroevers langs regionale waterkeringen. Bij het groot onderhoud kunnen, en worden, de vooroevers die te hoog voor dieren zijn ook eenvoudig van een FUP voorzien.

Leidsche Rijn
Tenslotte een beschrijving van de werkwijze met betrekking tot het door de heer van der Steeg aangehaalde voorbeeld van de Leidsche Rijn. In 2005 heeft het waterschap de beschoeiing aan de noordzijde van de Leidsche Rijn, tussen de Stadsdambrug (oostzijde) en de Meernbrug (westzijde), in Utrecht en De Meern, vervangen. De beschoeiing bestaat uit een houten damwandconstructie met een lengte van 2.200 meter en is voorzien van vijf FUP’s. In het betreffende ontwerp is gekozen voor FUP’s die in de damwandconstructie zijn verwerkt. In het natte profiel van de Leidsche Rijn zijn geen voorzieningen aangelegd.
Bij het aanleggen van de FUP’s speelden de volgende aspecten een rol:

  • met uitzondering van de plaatsen waar de damwand wordt onderbroken door een duiker, liggen er kabels en leidingen achter de damwand. De aanleg van een FUP is daar niet mogelijk zonder substantiële meerkosten te maken;
  • het type FUP (“eendentrappetje”) dat door gemeente Utrecht aan de zuidzijde van de Leidsche Rijn is aangelegd, heeft het nadeel dat deze slecht bestand is tegen weersinvloeden (o.a. kruiend ijs) en bewuste en onbewuste (b.v. door het aanleggen van boten) vernieling;
  • het traject is omgeven door bebouwing en begrensd door wegen (Zandweg en Rijksstraatweg). De aanleg van een FUP heeft hierdoor slechts op een beperkt aantal plekken een zekere meerwaarde.

Bij controle in november 2010 is gebleken dat één van de vijf FUP’s goed functioneert. Bij drie FUP’s moet klein onderhoud worden uitgevoerd om ze ook op de langere termijn voldoende goed te laten functioneren (verwijderen begroeiing en aanvullen talud met grond) en bij één FUP moet de damwandhoogte van de FUP worden verlaagd om deze ook met een lagere waterpeil goed te laten functioneren. Afdeling WSB zal een opdracht uitzetten voor het benodigde onderhoud.

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer